Op 31 januari 2025 bereikte de federale regering na 236 dagen onderhandelen een politiek akkoord.
Op 17 juli 2025, 6 april 2026 en 25 mei 2026 werden verschillende programmawetten goedgekeurd. Die wetten voeren een aantal fiscale maatregelen in, zoals de meerwaardebelasting, de verdubbeling van de jaarlijkse taks op effectenrekeningen, de verhoging van de roerende voorheffing voor kleine vennootschappen (VVPRbis en liquidatiereserves), strengere controles op de jaarlijkse taks op effectenrekeningen, de aanpassing van het DBI-stelsel (met uitzondering van DBI-beveks) en de nieuwe fiscale regularisatie (DLU quinquies).
Nu de grote lijnen van de verschillende fiscale maatregelen bekend zijn, geven wij u een overzicht van de belangrijkste hervormingen die een impact kunnen hebben op uw privévermogen of op het vermogen van uw vennootschap.
Sinds 1 januari 2026 is de meerwaardebelasting van 10% van toepassing op gerealiseerde meerwaarden op financiële activa die ontstaan naar aanleiding van een overdracht ten bezwarende titel. Dit gaat bijvoorbeeld om een verkoop of een ruiltransactie waarbij een tegenprestatie wordt gegeven. Belangrijk is dat deze overdrachten moeten kaderen binnen het normaal beheer van het privévermogen.
Verrichtingen buiten het normaal beheer van privévermogen worden belast aan een tarief van 33%. Belangrijk! Transacties binnen de partnerfondsen van Mercier Van Lanschot zijn niet onderworpen aan de meerwaardebelasting. De belasting is van toepassing op natuurlijke personen die onderworpen zijn aan de personenbelasting. Daarnaast is de meerwaardebelasting van toepassing op entiteiten onderworpen aan de rechtspersonenbelasting, zoals vzw’s en stichtingen. Er komt daarbij wel een uitzondering voor entiteiten die giften kunnen ontvangen met belastingvermindering. Meerwaarden die gerealiseerd worden door een vennootschap vallen buiten het toepassingsgebied.De gerealiseerde meerwaarden in de vennootschap zijn immers al onderworpen aan de vennootschapsbelasting van 25% (m.u.v. de DBI-bevek).
Het begrip financiële activa wordt ruim geïnterpreteerd. Hieronder vallen o.a. aandelen, obligaties, fondsen, ETF's of spaar- en beleggingsverzekeringen. Ook investeringen in cryptoactiva en beleggingsgoud worden geviseerd.
Pensioenspaarproducten en groepsverzekeringen zijn uitgesloten van de meerwaardebelasting. Naast beursgenoteerde aandelen worden ook niet-beursgenoteerde aandelen geviseerd.
Het tarief van de meerwaardebelasting bedraagt 10%.
Er geldt een jaarlijkse voetvrijstelling van 10.000 euro (een belastingbesparing van 1.000 euro).
Als u bijvoorbeeld een meerwaarde realiseert van 100.000 euro, trekt u de voetvrijstelling van 10.000 euro af. De belastbare meerwaarde bedraagt dan 90.000 euro. Aan 10% komt de verschuldigde meerwaardebelasting uit op 9.000 euro. In principe houden de financiële instellingen de meerwaardebelasting van 10% in. De vrijstelling wordt vervolgens via de aangifte personenbelasting teruggevorderd.
De voetvrijstelling wordt jaarlijks geïndexeerd. Als de vrijstelling niet wordt gebruikt, kan de belastingplichtige gedurende 5 jaar telkens 1.000 euro overdragen naar het volgende jaar. Dat leidt tot een maximale vrijstelling van 15.000 euro.
Koppels kunnen de vrijstelling van 10.000 euro (of 15.000 euro) allebei genieten. Daardoor realiseren zij tot 20.000 euro, of om de vijf jaar 30.000 euro, meerwaarde zonder daarop belasting te betalen. Er is wel een belangrijk onderscheid voor koppels die gehuwd zijn met gemeenschap van goederen en koppels die gehuwd zijn met scheiding van goederen. Wanneer een effectenrekening op naam staat van slechts één van beide partners dan kunnen beide partners de voetvrijstelling claimen als zij gehuwd zijn met gemeenschap van goederen. Die mogelijkheid is er niet voor koppels die gehuwd zijn met scheiding van goederen. Voorbeeld Bart en Julie zijn getrouwd onder het wettelijk stelsel. Bart heeft een effectenportefeuille op zijn naam met een waarde van 500.000 euro, waarvan hij zelf 400.000 euro inlegt. Bart verkoopt zijn portefeuille en realiseert een meerwaarde van 100.000 euro. In deze hypothese vorderen zowel Bart als Julie in hun aangifte personenbelasting de voetvrijstelling van 10.000 euro terug, zodat in totaal 20.000 euro is vrijgesteld van meerwaardebelasting. Indien Bart en Julie getrouwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen, heeft enkel Bart het recht om zijn voetvrijstelling terug te vorderen.
Wanneer een aandeelhouder een aanmerkelijk belang heeft in een vennootschap van minstens 20%, geldt een afwijkende regeling. De filosofie daarachter is om eigenaars van (familiale) vennootschappen minder streng te behandelen en te vermijden dat de meerwaardebelasting de (familiale) ondernemingszin ondermijnt.
Het aanmerkelijk belang van minstens 20% wordt bekeken op persoonlijk niveau. In tegenstelling tot wat eerder werd bepaald, zal er dus géén rekening worden gehouden met de participaties van andere familieleden. De beoordeling gebeurt ook op het moment van de transactie zelf waardoor geen rekening wordt gehouden met historische participaties. Wie een aanmerkelijk belang heeft, geniet bij de realisatie van een meerwaarde van een vrijstelling van 1.000.000 euro. Deze vrijstelling geldt één keer per periode van 5 jaar. Meerwaarden boven 1.000.000 euro worden onderworpen aan een getrapt tarief (1,25% tot 2.500.000 euro; 2,5% tot 5.000.000 euro; 5% tot 10.000.000 euro en 10% vanaf 10.000.000 euro). De regeling beperkt zich tot slot niet enkel tot de verkoop van aandelen van exploitatievennootschappen, maar kan eveneens worden toegepast bij gerealiseerde meerwaarden naar aanleiding van de verkoop van aandelen van patrimonium-, management- of holdingvennootschappen.
De meerwaarde is het verschil tussen de verkoopprijs en de aankoopprijs. Omdat historische meerwaarden zijn vrijgesteld, gebruikt men voor beursgenoteerde activa als aankoopwaarde de slotkoers van 31 december 2025 (het ‘fotomoment’).
Als u een aandeel koopt aan een hogere waarde dan de waarde op 31 december 2025, mag u die hogere waarde gebruiken voor de berekening van de meerwaardebelasting (mits het voorleggen van de nodige bewijsstukken). Deze gunstregeling geldt enkel voor verkopen tot 2031. Voor verkopen vanaf 2031 geldt altijd de waarde per 31 december 2025 of, indien later, de aankoopwaarde.
Voorbeeld
In 2020 kocht u een aandeel voor 100 euro. Op 5 april 2026 verkoopt u dit aandeel voor 170 euro. De koers van dit aandeel op 31 december 2025 bedraagt 140 euro. Hoewel u strikt genomen een meerwaarde realiseert van 70 euro, is de meerwaardebelasting enkel verschuldigd op een gerealiseerde meerwaarde van 30 euro (170 euro - 140 euro).
Stel nu dat u het aandeel in 2020 heeft aangekocht voor een waarde van 150 euro, dus aan een hogere waarde dan de waarde op 31 december 2025 (140 euro). In dat geval zal de meerwaarde berekend worden op het verschil tussen de verkoopwaarde (170 euro) en die hogere waarde (150 euro). Bijgevolg zal de gerealiseerde meerwaarde 20 euro bedragen.
Neen. Zoals aangegeven, is de meerwaarde het verschil tussen de verkoopprijs en de aankoopprijs. Het gaat om een netto belastbare basis. Daardoor kunnen eventuele betaalde kosten of taksen niet worden afgetrokken.
Voor de waardering van niet-beursgenoteerde aandelen op 31 december 2025 voorziet de wet in vier mogelijkheden. De hoogste waarde is van toepassing:
De meerwaardebelasting van 10% is van toepassing op de gerealiseerde meerwaarden die opgebouwd zijn sinds 1 januari 2026.. Bijgevolg blijven de historische meerwaarden buiten schot.
Minwaarden op financiële activa mogen binnen hetzelfde belastbare tijdperk en binnen dezelfde categorie in aftrek worden genomen. Om de minwaarden te bepalen, wordt er vertrokken van het fotomoment op 31 december 2025 en wordt er dus niet gekeken naar de werkelijke aanschaffingswaarde. Voorbeeld U kocht een aandeel in 2020 aan 100 euro. Op 31 december 2025 bedraagt de koers van het aandeel 80 euro. In april 2026 verkoopt u het aandeel voor 90 euro. In principe bent u meerwaardebelasting verschuldigd op een gerealiseerde meerwaarde van 10 euro. Indien u echter de historische aanschaffingswaarde van 100 euro kan aantonen, dan is er geen gerealiseerde meerwaarde en dus ook geen meerwaardebelasting verschuldigd. Economisch heeft u echter een minwaarde van 10 euro. Deze minwaarde kan u niet aftrekken omdat men voor de berekening van de minwaarde kijkt naar het fotomoment. Tip: het is van bijzonder belang om uw documenten (bijvoorbeeld aankoopborderellen of rekeninguittreksels) goed te bewaren zodat u een bewijs heeft van uw oorspronkelijke aanschaffingswaarde!
In geval van een schenking of een erfenis is de meerwaardebelasting niet verschuldigd. Bij een latere verkoop door de begiftigde of de erfgenaam zal de meerwaardebelasting wel verschuldigd zijn, rekening houdend met de oorspronkelijke aanschaffingswaarde door de schenker of de erflater.
Bij een opsplitsing van het eigendomsrecht is de blote eigenaar de belastingplichtige.
In tegenstelling tot eerdere ontwerpteksten wordt een overdracht aan een niet-inwoner niet gelijkgesteld met een overdracht ten bezwarende titel. Voorzichtigheid bij dit onderwerp blijft aangewezen.
Een verhuis naar het buitenland wordt gelijkgesteld met een belastbare overdracht. Dit is de zogenaamde "Exit taks".
Voor de meeste landen (EU, EER en landen waarmee België een dubbelbelastingverdrag afsloot) geldt een uitstelregeling: de meerwaardebelasting is enkel verschuldigd als men de meerwaarde realiseert binnen de twee jaar na vertrek. Bij een overdracht na twee jaar is geen meerwaardebelasting meer verschuldigd.
De Reynderstaks is een belasting van 30% bij de verkoop van fondsen die voor meer dan 10% beleggen in vastrentende effecten zoals obligaties.
Deze belasting blijft bestaan naast de meerwaardebelasting. Om een dubbele belasting te voorkomen, wordt de belastbare basis van de meerwaardebelasting verminderd met de belastbare basis van de Reynderstaks.
De meerwaardebelasting wordt als bronheffing ingehouden door de Belgische financiële instelling. De belastingplichtige die een beroep doet op de voetvrijstelling (10.000 euro of 15.000 euro) of minwaarden compenseert, vordert dit terug via de aangifte personenbelasting.
De belastingplichtige kan echter ook kiezen voor een "opt-out".
Bij een opt-out wordt de meerwaardebelasting niet ingehouden aan de bron. De belastingplichtige staat dan zelf in voor de aangifte van de gerealiseerde meerwaarden via de aangifte personenbelasting. De financiële instelling maakt in dat geval een attest op en bezorgt dit aan de fiscale administratie.
Het tarief van de jaarlijkse taks op de effectenrekeningen wordt verhoogd van 0,15% naar 0,30% voor effectenrekeningen boven 1 miljoen euro. Voor het jaar 2026 zal het tarief van 0,30% van toepassing vanaf 1 juni 2026.
De regering voert daarnaast een antimisbruikbepaling in om de ontwijking van de jaarlijkse taks tegen te gaan.
Er zal een vermoeden van fiscaal misbruik bestaan met betrekking tot bepaalde rechtshandelingen zoals:
In deze gevallen wordt de aanwezigheid van fiscaal misbruik vermoed. De belastingplichtige kan dit vermoeden evenwel altijd weerleggen (bijvoorbeeld via het aantonen van niet-fiscale motieven zoals het doen van een schenking in het kader van een vermogensplanning).
De uitvoering van deze antimisbruikmaatregel gaat gepaard met meldingsplichten voor zowel de rekeninghouder (in geval van omzetting) als de financiële instelling (in geval van overdracht en opening van de rekening).
De meldingsplichten zullen van toepassing zijn op transacties vanaf 1 juli 2025, doch een koninklijk besluit moet nog de uitvoering van deze meldingsplichten bepalen.
De wetgever heeft besloten om opnieuw een permanente fiscale regularisatie in te voeren.
Deze EBA quinquies biedt de mogelijkheid om een fiscale situatie te regulariseren bij het Contactpunt Regularisaties van de Federale Overheidsdienst Financiën teneinde zowel fiscale als strafrechtelijke immuniteit te verkrijgen.
Deze nieuwe regularisatie is strenger dan de vorige, aangezien er een boete van 45% wordt geheven op fiscaal verjaard kapitaal en 30% op inkomsten en niet-fiscaal verjaard kapitaal (bovenop het normaal verschuldigd belastingtarief) .
Het belangrijkste voordeel van deze nieuwe procedure is de verleende strafrechtelijke immuniteit.
Ook het regime van de DBI-aftrek kent enkele hervormingen. Om van de DBI-aftrek te kunnen genieten, zijn er verschillende voorwaarden die vervuld moeten zijn:
Indien de vennootschap niet kwalificeert als een kleine vennootschap, geldt wel een extra vereiste. De deelneming moet kwalificeren als een financieel vast actief, wat een duurzame economische band veronderstelt.
Een vennootschap wordt als klein beschouwd als zij, op de afsluitingsdatum van het laatste boekjaar, maximaal 1 van de volgende criteria overschrijdt:
Beleggen via de vennootschap kan voordelig zijn via het gunstregime van de DBI-bevek. De gerealiseerde meerwaarden en de inkomsten zijn immers vrijgesteld van vennootschapsbelasting.
Dit regime blijft bestaan, maar zal vanaf aanslagjaar 2026 (inkomstenjaar 2025) onderworpen worden aan een heffing van 5% op de gerealiseerde meerwaarde bij een verkoop door de vennootschap. In geval van een inkoop door de DBI-bevek zelf (wat doorgaans altijd het geval is) zal er niets wijzigen.
Een belangrijke wijziging betreft de verrekenbaarheid van de roerende voorheffing op het dividend dat wordt uitgekeerd door de DBI-bevek. De verrekenbaarheid van de roerende voorheffing blijft mogelijk op voorwaarde dat de minimale bedrijfsleidersbezoldiging wordt toegekend aan minstens één bestuurder of bedrijfsleider.
De minimumbezoldiging bedraagt thans 45.000 euro en zal vanaf 1 januari 2026 opgetrokken worden naar 50.000 euro. In de praktijk zal men geval tot geval moeten beoordelen of het zinvol is om de minimumbezoldiging uit te keren.
Deze wijziging treedt in werking vanaf aanslagjaar 2026 (inkomstenjaar 2025). Voor boekjaren die eindigen op 31/12 betekent dit dat de nieuwe regeling van toepassing zal zijn voor de dividenden die werden uitgekeerd in 2025.
Daarnaast wordt ook het regime van de liquidatiereserve herbekeken, met als resultaat een harmonisering van het VVPRbis-stelsel en het stelsel van de liquidatiereserve.
De wachttermijn voor de liquidatiereserve zal – in lijn met VVPRbis – verlaagd worden van vijf jaar naar drie jaar.
In het begrotingsakkoord werd beslist om het verlaagd tarief in de roerende voorheffing van VVPRbis te verhogen van 15% naar 18%.
Ook voor nieuw aangelegde liquidatiereserves wordt het tarief van 5% roerende voorheffing opgetrokken naar 9,8%. Eerder was er sprake van een verhoging van de roerende voorheffing naar 6,5% om de effectieve belastingdruk van 13,64% naar 15% te brengen, conform het tarief van VVPRbis. Door de stijging van het tarief van de VVPRbis regeling naar 18% zal ook de roerende voorheffing voor liquidatiereserves stijgen naar 9,8%. Uitkeringen binnen de wachttermijn van drie jaar, blijven belast aan het normale tarief van 30% roerende voorheffing.
Voor het jaar 2026 betekent dit:
Voor de liquidatiereserves die zijn aangelegd tot en met 30 december 2025 blijven de tarieven van de roerende voorheffing ongewijzigd: 5% bij uitkering na ten minste 5 jaar, 6,5% bij uitkering na ten minste 3 maar minder dan 5 jaar, en 20% bij uitkering binnen 3 jaar.
De liquidatiereserves die aangelegd worden vanaf 31 december 2025 zijn onderworpen aan het tarief van 9,8% roerende voorheffing mits een wachttermijn van 3 jaar. Uitkeringen binnen de 3 jaar zijn onderworpen aan een tarief van 30% roerende voorheffing.
We streven ernaar dit artikel voortdurend te actualiseren met de meest recente informatie. Laatste bijwerking: 11 juni 2026.